Toyota Carina E

De "E"
Het volgende model Carina moest zijn Europese karakter benadrukken, daarom kreeg deze de toevoeging E mee. Ook het feit dat de auto niet alleen in Japan (als Corona/Caldina), maar ook in Burnaston in Engeland gemaakt werd, speelde mee.
De vanaf 1992 in Japan gemaakte Carina E kreeg begin 1993 gezelschap van de in Engeland gebouwde sedan en liftback. De wagon en de GTi zijn alleen in Japan geproduceerd. Uiterlijk zijn ze niet tot nauwelijks van elkaar te onderscheiden, afgezien van wat verschillend getinte lampunits. Aan de chassisnummers is echter wel te zien waar de auto gemaakt is; een chassis-nummer beginnend met “JT” is in Japan gebouwd.

De echte kenners weten dat sommige onderdelen van de Europese Carina (stuurinrichting) wat minder lang meegingen dan die van zijn Japanse tegenhanger. De Europese Carina-rijder kreeg ook met andere Europese problemen te maken. De LPG-rijders moesten rekening houden met een cilinderkoprevisie na circa 150.000 km bij een forse rijstijl (=hoge snelheden), omdat de standaardklepzetels niet volledig bestand waren tegen de hogere temperatuur van LPG in combinatie met de hoge snelheden en het ver doortrek-ken in de versnellingen.
De Carina E werd vooral geroemd om zijn robuuste voorkomen en grote binnenruimte. We kennen uit die tijd nog de reclamespot van de Space Shuttle astronauten die per Carina naar het platform worden gebracht en roepen dat er “lots of space” aanwezig is. En ook in de betrouwbaarheidsstatistieken staat het model altijd bovenaan.
Net als bij de Carina II bestond de modellijn uit een vierdeurs Sedan, een vijfdeurs Liftback en – een wereldprimeur op de AutoRAI van 1993 - een vijfdeurs Stationwagon.



Motoren
De E was leverbaar met een vijftal verschillende motoren.
Om te beginnen was er de 1587cc grote 4A-FE met 115pk/145nm, welke ook te vinden was in de Corolla.
Derde motor was de 3s-fe motor die uit 1998cc 133pk en 183nm leverde.

Voor de sportievelingen was er ook de Carina E GTi. Deze was uitgerust met de sportieve versie van de 2.0; de 3s-ge. Bekend uit de Celica GT en MR2, beschikte ook deze motor over 1998cc. Echter, door een andere cilinderkop -ontwikkeld in samenwerking met Yamaha- leverde deze 158pk en 186nm.

Ook een dieselmotor was weer van de partij. Net als bij het vorige model was er de 1975cc grote 2C van 73 pk.



Facelift
In 1995 werd er een facelift doorgevoerd. De geluidsisolatie werd verbeterd, het Toyota-embleem verhuisde van de grill naar de motorkap en de grill zelf veranderde ook van vorm. De achterlichten en voorste knipperlichten werden gewijzigd, met oranje vlakken in plaats van smoke-glas. Daarnaast werd de standaarduitrusting uitgebreid met dubbele airbags. Ook werd het motorenpallet onder handen genomen.
Naast de bestaande motoren kwam er een 1762cc metende 7A-FE leanburn motor in het programma. Hoewel het vermogen hiervan met 107pk wat lager lag dan dat van de 1.6, beschikte deze wel over een iets hoger koppel (150nm), en dat bij een lager toerental. De grootste troef was echter het verbruik; met een gecombineerd verbruik van 1:15,5.

Tevens werd de bestaande Dieselmotor uitgerust met een turbo, en omgedoopt tot 2C-T. Het vermogen steeg hierdoor naar 83pk met 174nm.

Om aan strenger wordende milieu-eisen te voldoen, werden ook de bestaande 1.6 en 2.0 aan een vernieuwing onderworpen. Het vermogen van beide motoren daalde licht naar respectievelijk 106pk/137nm en 126pk/178nm.



BTCC
Net als de Carina II werd de E ingezet in het Britse toerwagen kampioenschap, het BTCC. Hiervoor werd de GTi als basis genomen. Voor de gelegenheid werd het blok gekieteld tot 300pk en 298nm. Hiermee werd in 1994 zelfs het Privateers-kampioenschap gewonnen, met James Kaye achter het stuur.



Zelf informatie hieraan toe te voegen ? Meld het bij 1 van de beheerders